GGD GHOR reageert op staatssecretaris

DATUM: 8 augustus 2018

Vorige week schreven wij over de recente Kamerbrief van staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Tamara van Ark. In de brief liet zij weten de uitkomst van aanvullend kwaliteitsonderzoek in de gastouderopvang af te wachten alvorens in te stemmen met kwaliteitsverhogende maatregelen. Dit besluit is bij GGD GHOR Nederland niet in goede aarde gevallen.

Kwaliteit in de gastouderopvang

In de afgelopen jaren is de kwaliteit van de gastouderopvang op verschillende manieren gemeten. Bekend is onder meer een onderzoek van PricewaterhouseCoopers, waarin werd geconcludeerd dat het toezicht in de sector niet optimaal geregeld is. Dit zou in theorie ten koste kunnen gaan van de kwaliteit, omdat de controle nu eenmaal minder strikt is dan bij andere vormen van kinderopvang.

Ook de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang, die de gastouderopvang dit jaar voor het eerst op kwalitatieve criteria beoordeelde, gaf stof tot nadenken. De kwalitatieve uitschieters naar beneden die de kwaliteitsmonitor vaststelde bij sommige gastouders baarde voormalig staatssecretaris Asscher zorgen. Hij besloot de gastouderopvang daarom te onderwerpen aan dezelfde kwaliteitseisen als andere opvangvormen.

Zijn opvolger Van Ark heeft nu dus anders besloten. De nieuwe staatssecretaris vindt het besluit van haar voorganger voorbarig en wenst eerst de uitkomsten van aanvullend kwaliteitsonderzoek in de sector af te wachten. Ze stelt dat de gastouderopvang reeds hard werkt aan verdere professionalisering. Bovendien zijn de eerder vastgestelde uitschieters naar beneden niet maatgevend voor de kwaliteit van de gastouderopvang als geheel – die staat gemiddeld genomen gelijk aan die van andere opvangvormen.

GGD GHOR acht kwaliteitsverbetering nodig

GGD GHOR is desondanks verbaasd over de keuze van Van Ark. De organisatie beroept zich op de twee hierboven genoemde onderzoeken en stelt dat kwaliteitsverbetering in de gastouderopvang op korte termijn noodzakelijk is. GGD GHOR zet zijn argument kracht bij door erop te wijzen dat maar liefst 1 op de 5 kinderen in de kinderopvang naar een gastouder gaat. De kwaliteit moet dus voldoende zijn om al deze kinderen van goede opvang te voorzien.

Volgens de GGD GHOR zijn er diverse punten waarop de gastouderopvang zichzelf kan verbeteren. De organisatie richt zijn pijlen in eerste instantie op het toezichtvolume – een jaarlijks metingspercentage van 10% van alle gastouders vindt men te laag. Ook de invloed van begeleiding door het gastouderbureau moet meegenomen worden in de toetsing. Dat kan volgens de GGD GHOR door gastouders niet alleen vóór registratie in het LRK, maar ook hierna nog een keer te beoordelen.

Daarnaast slot wil de organisatie een limiet stellen aan het aantal bureaus waarbij een gastouder is aangesloten; dit zou maximaal één bureau mogen zijn. Tot slot pleit GGD GHOR voor concrete toetsingscriteria voor de begeleiding van gastouders door gastouderbureaus. De organisatie erkent dat de invoering van al deze maatregelen een financiële injectie vergt, maar acht dit nodig gezien het grote aantal kinderen dat in Nederland naar een gastouder gaat.