Staatssecretaris beantwoordt kritische vragen over Kwaliteitsmonitor

DATUM: 23 maart 2018

Voor het eerst is de sector gastouderopvang dit jaar meegenomen in de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK). De resultaten van het onderzoek kwamen onlangs uit, maar zijn door Nederlandse Kamerleden met de nodige kritiek ontvangen. Inmiddels heeft staatssecretaris Tamara van Ark van Sociale Zaken gereageerd.

Kleine onderzoekspopulaties resulteren in wisselende scores

Het eerste kritiekpunt van Kamerleden op de LKK zijn de relatief kleine onderzoekspopulaties die in het onderzoek zijn gebruikt. Hoe minder kinderopvanglocaties en gastouders zijn onderzocht, hoe minder representatief de resultaten van de kwaliteitsmonitor zijn – zo luidt de redenatie van de Kamerleden. Zij staan hierin overigens niet alleen; ook kenners uit het werkveld delen de kritiek.

Volgens de staatssecretaris zijn de uitkomsten wel degelijk representatief, maar hiermee doelt ze vooral op de getoetste kinderopvanglocaties. Van Ark erkent namelijk dat de resultaten voor gastouders minder representatief zijn en dat komt onder meer tot uiting in zeer uiteenlopende scores op het gebied van emotionele kwaliteit met grote uitschieters naar boven en beneden.

Ook opvallend zijn de flinke kwaliteitsverschillen tussen verschillende werkvormen. Omdat de onderzoekers dit in de kwaliteitsmonitor zelf al aangeven, verschijnt er over enkele maanden een verklarende analyse waarin wordt geprobeerd de oorzaken voor de grote variatie te achterhalen.

Verbeterpunten voor toekomstig onderzoek

Een voor de hand liggende oplossing bij de eerstvolgende kwaliteitsmonitor zou zijn om een grotere steekproef te organiseren dan nu is gedaan. Ook een tweejaarlijks onderzoek kan volgens Kamerleden van toegevoegde waarde zijn. Van Ark is het met dat laatste niet eens en vindt het voor een representatief beeld juist van belang om nu dezelfde toetsingsfrequentie aan te houden.

Ondanks de kritiek uit meerdere hoeken op de representativiteit van de onderzoeksresultaten over de gastouderopvang, zijn de uitkomsten toch gepubliceerd. Gevraagd waarom hiervoor gekozen is, antwoordt de staatssecretaris dat het uitbrengen van enige informatie over de kwaliteit van de sector nog altijd beter is dan het alternatief – helemaal niets doen.

Wel is duidelijk dat bepaalde onderzoeksmethoden in de volgende kwaliteitsmonitor beter moeten worden toegepast. In het vervolg zullen steekproeven daarom telkens op andere locaties worden afgenomen, zodat de kinderopvangsector door het hele land wordt onderzocht en deelnemende opvanglocaties niet gebukt gaan onder een terugkerende en zware jaarlijkse controle.