Toezicht in kinderopvang neemt toe

DATUM: 8 december 2017

Vorige week heeft de Inspectie van het Onderwijs het landelijk rapport 2016 over toezicht en handhaving binnen de kinderopvang uitgebracht. Uit de rapportage blijkt dat de inspectie tevreden is over de kwaliteit van het toezicht en ook over de toenemende frequentie daarvan. Bij gastouders werd slechts in 8 procent van de gevallen een advies tot handhaving gegeven – het minst van alle vormen van kinderopvang.

Weinig handhavingsadviezen bij gastouders

Vorig jaar was het percentage uitgevoerde onderzoeken in de kinderopvang nagenoeg 100 procent. Dat betekent dat bijna geen enkele kinderopvanglocatie niet werd gecontroleerd. Voor gastouderopvang gelden andere eisen, want minimaal 5 procent van de gastouders moet worden onderzocht. Met een controlepercentage van maar liefst 10 procent op gastouders voldeden gemeenten in 2016 ruimschoots aan die norm.

Ondanks de toenemende inspectiefrequentie, laat het aantal handhavingsadviezen een dalende trend zien. Met name gastouderopvang springt er positief uit met een percentage van slechts 8 procent. Wel moet hierbij worden aangetekend dat andere vormen van kinderopvang vaker worden gecontroleerd. In hoeverre dit daadwerkelijk verschil maakt, is vooralsnog gissen voor de inspectie.

Toch laten de cijfers bij andere vormen van kinderopvang een heel ander beeld zien dan bij de gastouderopvang. In 2016 gaf de GGD in maar liefst een kwart van de gevallen een handhavingsadvies aan bso’s en kinderdagverblijven. Deze cijfers zijn desondanks relatief positief, omdat dit percentage in 2014 nog tussen de 35 en 40 procent lag.

Verschil in visie tussen GGD en gemeenten

In de praktijk blijken gemeenten niet altijd mee te gaan in het handhavingsadvies van de GGD. In 2016 was dit bij 18 procent van de adviezen tot handhaving het geval. Ook deze cijfers laten echter een opwaartse lijn zien, want in 2014 lag dit percentage nog op 26 procent. Dit is volgens de inspectie tekenend voor een toenemende bewustwording bij gemeenten.

In sommige gevallen besluiten gemeenten, na aanvullend onderzoek naar aanleiding van een geconstateerde overtreding, om ‘beredeneerd niet te handhaven’. Dit is een bewuste keuze om niet te handhaven ondanks dat het probleem op een locatie nog niet is opgelost. De inspectie wil graag extra onderzoek doen om de motieven van gemeenten hiervoor in kaart te brengen.

De inspectie wijst er in zijn rapportage tot slot op dat het toezicht van de GGD ondanks de toegenomen frequentie niet voldoende is om alle overtredingen in de kinderopvang te constateren. Ook signalen van betrokkenen zoals ouders zijn van belang om eventuele problemen te achterhalen. De inspectie pleit daarom voor een landelijke en uniforme registratie van dit soort signalen.

Meer weten? Download hier het landelijk rapport kinderopvang 2016.